Gedicht opgedragen aan Dirk Elst.
Het is begonnen met een afgebonden hand.
Ik kon nog schrijven in mijn hoofd
maar kreeg geen letter meer op papier.
Het blok was hier. Het kroop omhoog
langs beide armen, bevroor mijn vingers,
vrat zich er vlijmend zuur doorheen.
Ze separeerden van mijn vuist,
tien flenters vlees flaneerden
even door de lucht, graveerden
diep in een verbeelde blok graniet
in net die vorm van net dat teken,
de beginletter van jouw naam.
In lower case, dat wel mijn lief,
en niet toevallig in het oude Grieks,
een dode taal. Een λ. Zo kort,
gevangen en toch lief, en stil.
Zo mat de dood zich dan geen zin,
maar minstens toch de mooiste
vorm van een karakter aan.